Seksuele ontwikkeling en mensen met EVB+
Hoe verloopt de seksuele ontwikkeling bij mensen met een (ernstige) verstandelijke beperking?
Seksuele ontwikkeling
Seksuele ontwikkeling is een levenslang proces dat al begint bij de geboorte en zich gedurende het hele leven blijft ontwikkelen. Het omvat niet alleen lichamelijke veranderingen, maar ook emotionele, sociale en cognitieve aspecten van seksualiteit.
Onderstaande fasen geven een globaal beeld van de seksuele ontwikkeling. Bij mensen met EVB+ kunnen deze fasen anders of vertraagd verlopen. Het is belangrijk om per persoon te kijken wat passend is.
Fasen van algemene seksuele ontwikkeling
Baby- en peutertijd (0–4 jaar)
- Ontdekken en ervaren van het eigen lichaam (bijvoorbeeld door aanraking)
- Hechting en lichamelijk contact zijn belangrijk voor een gevoel van veiligheid
- Ervaringen met intimiteit via knuffelen en verzorging
Vroege kindertijd (4–6 jaar)
- Ontwikkeling van een genderidentiteit
- Interesse in verschillen tussen jongens en meisjes
- Spelenderwijs ontdekken van het eigen lichaam en dat van de ander (bijvoorbeeld doktertje spelen)
Midden- en late kindertijd (6–12 jaar)
- Meer bewustzijn van sociale normen en regels rond seksualiteit
- Vragen over voortplanting en relaties
- Begin van schaamtegevoelens en behoefte aan privacy
Adolescentie (12–18 jaar)
- Lichamelijke veranderingen door de puberteit
- Toename van seksuele gevoelens en verlangens
- Eerste verliefdheden en (seksuele) relaties
- Vorming van seksuele identiteit en oriëntatie
Volwassenheid en ouderdom
- Verdieping van relaties en seksualiteit
- Seksualiteit blijft belangrijk voor welzijn, ook op latere leeftijd
- Veranderingen in seksuele beleving door levensgebeurtenissen of gezondheid (denk aan hormonale veranderingen)
Seksuele ontwikkeling bij mensen met een verstandelijke beperking
De seksuele ontwikkeling van mensen met een verstandelijke beperking verloopt in grote lijnen vergelijkbaar met die van mensen zonder beperking, maar kan op sommige vlakken vertraagd of anders verlopen.
Om te begrijpen welke ondersteuningsbehoefte op het gebied van de seksualiteitsbeleving een persoon met een verstandelijke beperking heeft, is het van belang om de verschillende ontwikkelingsgebieden die van invloed zijn op de seksualiteitsbeleving in kaart te brengen. Dit zijn de cognitieve ontwikkeling, de lichamelijke ontwikkeling, de levensgeschiedenis, de sociale ontwikkeling, psychologische ontwikkeling en de emotionele ontwikkeling.
Het systematisch in kaart brengen van de verschillende levensgebieden om zo meer zicht te krijgen op de benodigde ondersteuningsbehoefte op het gebied van het seksueel functioneren kan bijvoorbeeld gedaan worden met behulp van de hermeneutische cirkel. In de hermeneutische cirkel zijn de levensgebieden overzichtelijk vormgegeven, met daarin centraal de emotionele ontwikkeling.
Emotionele ontwikkeling als basis voor begeleiding
Wanneer we spreken over seksualiteit bij mensen met een verstandelijke beperking, is het belangrijk om niet alleen te kijken naar de cognitieve ontwikkeling, maar vooral naar de emotionele ontwikkeling. Volgens het ontwikkelingsdynamisch model van Anton Došen is dit niveau bepalend voor wat iemand aankan op het gebied van relaties, intimiteit en seksualiteit.
Seksualiteit vraagt om zelfinzicht, grenzen kunnen aangeven, wederkerigheid en respect voor de ander. Als iemand emotioneel nog sterk afhankelijk is van nabijheid, troost of lichamelijk contact, kan dit gedrag oproepen dat verkeerd geïnterpreteerd wordt als seksueel. Of iemand kan juist over zijn of haar grenzen gaan of die van iemand anders, zonder dat te beseffen.
Daarom is het essentieel dat bij vragen op het gebied van seksualiteit bij een cliënt:
- Het emotionele ontwikkelingsniveau in kaart gebracht wordt, bijvoorbeeld met behulp van de SEO-R².
- De manier van begeleiden afgestemd wordt op de emotionele ontwikkeling en de behoefte aan nabijheid en externe sturing van de cliënt.
- Het gedrag van de cliënt geduid wordt vanuit emotionele behoeften, in plaats van vanuit regels of normen.
Voorbeelden uit de praktijk
Hans, een cliënt met een ernstig verstandelijke beperking, trekt aan de kleding van begeleiders en zoekt veel lichamelijk contact. Zijn gedrag wordt aanvankelijk als (seksueel) grensoverschrijdend gezien. Uit de afname van de SEO-R² blijkt echter dat zijn emotioneel functioneren overeenkomt met dat van een jong kind (6 tot 18 maanden). Zijn gedrag is een uiting van behoefte aan nabijheid en veiligheid, niet van een seksuele intentie. Door de begeleiding hierop aan te passen, ontstaat er meer rust in de interactie tussen Hans en zijn begeleiders.